Never come back line

HARIS- Een groot feest staat voor de deur, want het vier-jarig bestaan van het Nederlandse bataljon in Libanon wordt nadrukkelijk gevierd. Vier jaren Libanon zijn voorbij. Zeer afwisselende jaren voor het Nederlandse bataljon. Het pionierswerk in 1979, de confrontaties met PLO-eenheden en Haddad-militia, de steeds terugkerende infiltraties, de beschietingen, de Israëlische invasie, het humanitaire werk daarna; een scala van herinneringen aan vier jaren Dutchbatt.

Buiten dat feestje om, wordt er nog een klein feestje gevierd. Mijn feestje, heel stiekum gehouden en zonder alcohol, chips en borrelnootjes, waaraan ik mij in Nederland nog wel eens wil verzadigen. Ruim driehonderdvijfenzestig dagen Libanon, verdeeld over twee periodes, liggen achter mij. Ook ik kan een beetje terugkijken en herinneringen komen boven drijven. Want sommige daarvan zullen nooit meer uitgewist worden. Peacekeeping en geen Peacemaking, was het devies, toen in 1980 mijn eerste kennismaking met Libanon een feit was. Ik was werkzaam op het Hoofdkwartier te Naqoura, dat een doorn in het oog was van majoor Haddad. Het lag immers in "zijn" enclave, dus Haddad-gebied Pesterijen waren aan de orde van de dag. Haddad-militia sloten hun roadblocks en wachttijden van twee uur werden vaak als normaal beschouwd. Plotselinge mitrailleurschoten, die rakelings over de legeringsprefabs richting Middellandse Zee gingen. Altijd opzettelijk mis, behalve die ene keer dan. De dreiging van een bombardement. Hoeveel uren schuilbunker kostte ons dat niet?

Ik werkte in Tyre-pocket, het enige gebied waarin de PLO-strijders nog echt overtuigend aanwezig waren en dit dan ook duidelijk lieten blijken. Hyjackings (kidnapping van Unifil-voertuigen en personeel) waren aan de orde van de dag. Soldaten die gevangen genomen werden en bedreigingen moesten ondergaan. Elke dag gebeurde er iets bijzonders in mijn werk. Ik leefde in Tyre-pocket en je leefde mee met de bevolking, als er weer eens gebombardeerd werd door Israëlische vliegtuigen. Het doel was altijd het PLO-kamp "Al Rasnidiyah". Doch het werd vaak gemist. Tyrus en haar bevolking kregen hun portie ook, evenals ons detachement. Het was misschien wel niet tegen de bevolking en Unifil bedoeld, maar weet die raket of granaat veel?

SCHOOLBUS.

Oudejaarsavond 1980, een avond en nacht gevuld met beschietingen en bombardementen. Tegen 20.00 uur lag iedereen in bed zonder te slapen. Die ene klap, toen het aggregaat werd vernield, dat maar drie meter van de slaapbarak verwijderd was. Als je afschot granaat maar hoorde, dan kon je tenminste tellen. Zeven seconden bij inslag, betekende PLO-kamp "Al Rasnidiyah". Elf seconden was Tyrus. Telde je negen seconden en daarna niets meer, dan was je te laat. De granaat lag er dan al en je wist precies waar. Soms 75 meter, soms 100 meter van je vandaan. Naar de schuilbunker lopen hoefde dan niet meer. Daarom zag je die schoolbus met kinderen kantelen. Een ontzettende knal begeleidde hem. Hoe verbaasd was je niet, toen achteraf bleek dat de meeste kinderen slechts lichtgewond waren?

Zo zijn er meer van die dagen, waarvan je de datum in je baret schreef. Iedereen deed het en dus jij ook. Het leek erg professioneel en het deed je herinneren aan al die dagen, dat je ontzettend bang was geweest. Meestal waren dat ook de dagen, dat je huilde. Een man mag niet huilen, wordt er wel eens gezegd. Een soldaat gelukkig wel. Constante spanning heerste er toen. Een periode waarvan je zei; "Never Again"!

Peacekeeping was nog steeds het devies, toen ik in 1982 aan mijn tweede periode begon. Het was onmogelijk gebleken om het Israëlische leger te stoppen tijdens hun invasie in Libanon. De bevoegdheden waren daar dan ook niet naar. De innerlijke ontevredenheid was groot in het Nederlandse bataljon. Een andere wereld ging voor het bataljon open. Hulp aan vluchtelingen was dringend noodzakelijk. Levensmiddelen moesten verstrekt worden. Dekens en matrassen wisselden van eigenaar. Dutchbatt verrichtte veel humanitair werk. Peacekeeping was nog steeds belangrijk, maar er kwam een erg belangrijke taak bij. Ergens in dat geheel, daar werkte ik. Wat ik eerst vanaf de buitenkant had gezien, daar werd ik nu dieper mee geconfronteerd. Veel contacten met de burger bevolking. Je begint iets te begrijpen van hun leefwijze en hun gewoontes. Libanon blijkt toch meer te zijn, dan alleen een geitenland. Je begint Zuid-Libanon met andere ogen te zien en je realiseert je, dat je plotseling veel meer ziet. Veel leuke en fijne dingen en soms, heel soms enkele slechte. Want ook in die tweede periode is toch niet alles rozegeur en maneschijn.

Het einde is in zicht van deze tweede periode. Je voelt ook, dat het tijd wordt om te gaan. Unifil hoort neutraal te zijn en jij ook. Die neutraliteit is een beetje verdwenen. Misschien wel een beetje veel verdwenen. Libanon zal ik missen, het land en de mensen. Je werd gastvrij binnengehaald en als hun gelijke beschouwd, ondanks dat je zoveel kennis van het land en de mensen miste. Toch doe ik er afstand van en kan dat ook. Vierhonderd foto's en veertig minuten film zullen mijn herinneringen zijn aan al die dagen, dat ik er ben geweest. Alsook enkele kranteknipsels.

Op 30 maart 1983 zal een vliegtuig landen op het vliegveld van Beiroet. De zogenaamde NEVER COME BACK LINE. Voor sommigen zal misschien nog een tweede periode volgen. Voor mij is het de NEVER COME BACK LINE. Een enkeltje Beiroet-Amsterdam zal ik in mijn broekzak hebben bij het instappen. Bij het opstijgen zal ik nog èèn keer omkijken naar het land van het witte gebergte. "NEVER AGAIN", zal niet mijn gedachte zijn, dat weet ik zeker. Misschien I'VE DONE MY TIME, I'M GOING HOME?

Woodshoe